JFK

31 May 2007 | reageer

Sommige dingen zijn onvermijdelijk, andere dingen moeilijk te aanvaarden.

Dat we op deze ijskoude januarimiddag op de goedhartigheid waren aangewezen van een miezerige Amerikaan, die op JFK Airport de rol van grondsteward met weinig verve en opzichtig gedemonstreerde tegenzin vervulde, was moeilijk te aanvaarden.

Terwijl de sneeuw vanuit een ijzige hemel onophoudelijk op ons neerdwarrelde, probeerden Delgadina en ik, nu eens stilstaand dan weer stap voor stap vooruit schuifelend in een eindeloos lijkende rij die van halverwege de parkeerplaats tot de detectiepoorten in de luchthaven reikte, gate 12 te bereiken waarvandaan onze vlucht naar Amsterdam over vijfenveertig minuten zou vertrekken.
Het gevoel in mijn handen was verdwenen en mijn loopneus had voor een spoortje ijs op mijn bovenlip gezorgd dat in combinatie met de snijdende wind mijn gezicht een blauwe gloed gaf die nooit meer leek weg te trekken.

De verscherpte en tijdrovende veiligheidsmaatregelen bij het inchecken op de luchthaven, die het gevolg waren van de tragedie die deze stad vier maanden eerder op 11 september 2001 voor altijd had verminkt, hadden geleid tot een nietsontziende chaos waarbij stilstaande reizigers, op elkaar gestapelde koffers en vastzittende taxi’s tot in het oneindige het blikveld vulden.

De grondsteward plukte zo nu en dan passagiers uit de rij die hun vlucht dreigden te missen. Deze reageerden alsof ze op het laatste moment uit een rij ter dood veroordeelden, die het vuurpeloton wachtte, werden gelicht door de dienstdoende beul die niet bekend stond om zijn menselijke trekjes en niet eerder zo vol clementie voor de dag was gekomen.

Tevergeefs had ik de grondsteward er een paar keer op gewezen dat we onze vlucht naar Amsterdam dreigden te missen met dit tempo van de als een versufte naaktslak voortkruipende rij.

De eerste keer reageerde hij niet. De tweede keer zei hij dat hij me de eerste keer wel had gehoord en de derde keer liep hij met zware stappen en priemende ogen op me af en zei: “Meneer, het is u vast niet ontgaan dat u niet de enige bent die een vlucht moet halen en het is u vast ook niet ontgaan dat ik alles doe wat in mijn vermogen ligt om iedereen zo goed mogelijk te helpen?”
Zijn ogen keken als die van een uitgedaagde straatvechter op zijn retour die hoopte op een bijdehand weerwoord dat een ongeremde woedeaanval zou rechtvaardigen en uiteindelijk zou ontaarden in zijn laatste glorieuze gevecht, voordat hij zich definitief terug zou trekken en een ordelijk burgerlijk leven zou leiden.
Ik was bereid de straatvechter in hem uit te dagen.

“Wat mij in ieder geval niet ontgaan is, is dat uw hoofd mij doet denken aan dat van een opgejaagd varken dat het slachthuis ternauwernood is ontvlucht. Graag zou ik een ‘Granny Smith’ in uw bek duwen alvorens ik u hoogstpersoonlijk weer aflever bij het slachthuis.”
Maar ik glimlachte slechts schijnheilig naar hem en zei in werkelijkheid: “Dank u.” Het deprimerende besef dat deze man onze enige hoop was de vlucht te halen, was tijdig tot me doorgedrongen.

Hij liep triomfantelijk weg, de kleine man die teerde op dit soort nietszeggende succesjes en het geruststellende gevoel nodig had dat hij niet alleen bereid maar ook in staat was zijn plek op deze wereld tegen elke prijs te bevechten. Het was waarschijnlijk het enige dat hem een zekere mate van eigendunk gaf.
Delgadina, die ik met Oud en Nieuw in New York had opgezocht na een semester Internationaal recht aan de staatsuniversiteit van San Francisco gestudeerd te hebben, had weinig oog voor dit gespannen tafereel of het dreigende onheil dat ons wachtte. Ze was met haar vriend aan het bellen, de hele tijd. Ik durfde nauwelijks op mijn horloge te kijken.

Hoewel de situatie er niet naar was, had de grondsteward zich even later teruggetrokken uit de drukte om zijn handen te warmen aan een bekertje koffie. Het zou me niet verbazen als hij er whisky in had gedaan, de schoft.
Ik trok de kraag van mijn jas omhoog en dwong mezelf uit de rij te stappen om hem te smeken ons ter wille te zijn. Ik begreep niet goed waarom mijn stem beefde toen ik mijn smeekbede ten gehore bracht, mijn waardigheid daarbij op het spel zettend. Misschien zou het hem een menselijke reactie ontlokken of zou het hem het gevoel van superioriteit geven dat nodig was zijn medewerking eindelijk te verkrijgen. Maar het enige dat hij zei was: “Vertelt u me toch iets nieuws.” Hij glunderde en genoot intens van dit moment. Hij haalde zijn neus luid op.

Ik balde mijn vuisten, ik had één goede slag nodig, meer niet. Hij zou nooit genoeg tijd hebben om het geluid van brekend kraakbeen in zijn neus te voorkomen. Het gevoel in mijn handen kwam terug bij deze plezierige gedachte, maar ik duwde mijn vuisten onder de oksels van mijn jas. Hij slurpte zijn koffie opzichtig op, me daarbij besmuikt aankijkend met zijn ‘zieke’ oogjes. Hij had zich slecht geschoren.

Het zou me weinig moeite kosten zijn keel dicht te knijpen tot hij gorgelend en kwijlend aan zijn verdiende einde zou komen. Het zou me veel genoegdoening schenken. Maar ik draaide me zonder verder iets te zeggen om en voegde me slaafs weer in de rij die nauwelijks vordering had gemaakt.
“We gaan onze vlucht missen. Daar zorgt die eikel wel voor.”
“Nee joh, ze houden dat vliegtuig wel aan de grond tot iedereen aan boord is,” zei Delgadina.
Ik slikte. Mijn keel voelde droog aan. We hadden een wonder nodig om onze vlucht nog te halen.
Een wonder.

En ineens ging het snel. Met nog elf minuten te gaan plukte de grondsteward ons uit de rij en wees driftig richting de detectiepoorten. Delgadina en ik strompelden langs een hindernisbaan vol overspannen reizigers en een barricade aan koffers het luchthavengebouw binnen. Voordat we door de detectiepoorten konden lopen, moesten we onze schoenen uittrekken. Delgadina ging op de grond zitten om haar laarzen uit te krijgen. Ik schopte mijn schoenen uit.

“Meneer, wilt u zo vriendelijk zijn uw koffer open te maken?”
Bij de x-ray van mijn koffer was een vreemd object waargenomen. Het was een Zwitsers zakmesje. Hoewel ik het niet als handbagage meenam, was de veiligheidsmedewerker onvermurwbaar. Ik moest het achterlaten.
We renden naar de incheckbalie waar het rustig was. Ik smeet onze tickets op de balie waar een jonge dame al verontschuldigend met haar hoofd schudde.
“Sorry meneer, de gate is al dicht.”
“Wat? Maar we hebben nog drie minuten! Laat u ons er toch alstublieft doorheen!”
“Het spijt me meneer.”
“We hebben uren buiten in de rij gewacht. We moeten met deze vlucht mee! Kunt u niets voor ons doen?”
Na verder aandringen belde ze, met een blik die weinig ruimte voor hoop liet, iemand die in dit soort situaties de knoop mag doorhakken.
“John, ik heb hier nog twee personen voor de vlucht naar Amsterdam. Kunnen ze nog mee? Nee? Hmm, oké.”

Ik versteende en kreeg geen lucht meer. Alles draaide om mij heen. Ik wilde me op de grond gooien en mijn bevroren vuisten op de grond stukslaan en niet meer opstaan. Ik zag mijn vriendin voor me. Ze had zich al weken verheugd op mijn thuiskomst. Mijn vrienden hadden een welkomstfeestje georganiseerd. Mijn moeder zou mijn lievelingsmaaltijd bereiden. Ik moest ze nu teleurstellen.

Zonder wat tegen elkaar te zeggen sleepten Delgadina en ik onze koffers naar een balie waar we onze tickets konden omzetten. Het was onbemand. Als halfdoden sleepten we ons naar de Burger King waar we zonder te spreken een whopper aten. Ik proefde, rook, voelde, hoorde en zag niets meer. Ik was leeg.

Even later was de balie wel bemand. Na mijn ervaring met de grondsteward had ik geleerd dat nederig zijn niet loont in dit land. Ik besloot agressief uit te vallen naar de dame van de balie bij de eerste de beste opmerking van haar kant die me niet zinde. Dat was vrij snel. Ik schreeuwde dat haar toon me niet aanstond en dat ik als een klant behandeld wilde worden. Ik was onredelijk, ik wist het, maar het kon me niets schelen. Ik schreeuwde alsof het varken met de enorme kop voor me stond en ik eindelijk genoegdoening kon halen, Zij schreeuwde terug.
Ik had genoeg van dit kloteland en zijn rotbevolking.

Toen we beiden waren afgekoeld en het ineens mogelijk was om in plaats van over zeven dagen al vier dagen later een nieuwe vlucht te nemen, zei ze ineens vriendelijk: “Wat ik niet begrijp is waarom jullie niet alsnog aan boord zijn gegaan toen het vliegtuig terug was gekeerd met een technisch mankement. Er is meerdere malen omgeroepen dat jullie alsnog mee konden.”
Delgadina en ik keken elkaar vol ongeloof aan. We wisten niets uit te brengen. Ik duwde mijn voorhoofd tegen mijn arm die op de balie rustte en blies vermoeid lucht uit.

Na onze ticket te hebben omgezet, boekten we een viersterren hotel aan Broadway vlakbij Times Square. Als we dan toch langer moesten blijven, konden we het ons beter naar de zin maken.

De zon scheen uitbundig als op een vroege lentedag die alles in bloei zet, toen we vier dagen later weer op JFK waren. Er was geen rij op de parkeerplaats of bij de incheckbalie. Schoonmakers dweilden kalm de vloer van de lege hal. Het was surreëel, de luchthaven was volledig uitgestorven.
De grondsteward was nergens te bekennen, tot mijn teleurstelling. Wat had ik graag, na een vlammende discussie, door hem uitgezwaaid willen worden.

Where am I?

You are currently viewing the archives for May, 2007 at Murat Isik.