De kinderen van Oaxaca

13 July 2007 | reageer

Zoals Oaxaca, het gebied waar hij ter wereld was gekomen in het zuiden van Mexico, gevangen is tussen het Sierra Madre del Sur gebergte en de Grote Oceaan, zo was hij gevangen in zijn eigen wereld zonder daglicht of kleur. Zijn ogen zouden hem nooit in staat stellen de hem omringende bergachtige wereld vol fijne rode stof en mysterieuze guajebomen te aanschouwen. Emillio Borgetti was blind geboren.

Zijn moeder, die weduwe was geworden toen hij twee jaar was, moest de grootse plannen die zij met Emillio had bijstellen. Hij zou geen arts of advocaat worden, met die gedachte had ze zich al vroeg verzoend. Maar ze hoopte dat hij zichzelf zou kunnen redden als zij te oud was geworden om de zelf gebakken maïspannenkoekjes nog te verkopen in haar kraampje. Aan de dag dat hij zonder haar moest verder leven, durfde ze geen seconde te denken.

Ze vestigde haar hoop op het blindeninstituut in Oaxaca waar ze door de enige onderwijzer van het dorp op gewezen was. Daar moest Emillio leren lezen, daar moesten gekwalificeerde mensen haar het vertrouwen geven dat ze miste voor de toekomst. Ze wilde in staat zijn te geloven dat Emillio het zou redden en zou uitgroeien tot een zelfstandige en zelfredzame man.

Toen Emillio vijf jaar was nam ze hem mee naar Oaxaca de Juárez, de hoofdstad van de staat Oaxaca. De busreis van hun dorp San Lucas naar de hoofdstad nam zes uur in beslag. De kleine Emillio zat de hele rit rustig bij het raam met een kalme glimlach rond zijn mondhoeken terwijl de bus zo nu en dan heen en weer werd geslingerd over het gehavende wegdek. Door zijn liefde voor bussen was hij erg opgetogen over zijn eerste lange busreis.

Tijdens de rit mocht hij van zijn moeder af en toe zijn hoofd uit het raam steken. Ze hield hem stevig vast wanneer hij lachend riep dat hij de zee kon ruiken. En als het af en toe regende onderweg riep hij dolenthousiast dat hij de zee nu ook kon voelen.
“Maar ik wil het ook zien mama. Ik wil zo graag de zee zien.”

In het blindeninstituut in Oaxaca de Juárez waren ze enthousiast over Emillio. Zijn intelligentie en enthousiasme maakte in hun ogen van hem een ideale kandidaat om zich snel de vaardigheden eigen te maken die hem verder zouden helpen in het leven. Het goede nieuws maakte Emillio’s moeder opgewekt en somber tegelijk. Er was hoop, maar de hoop was complex. Ze kon onmogelijk iedere dag de lange busreis naar de hoofdstad met Emillio ondernemen.

Het personeel van het blindeninstituut las de wanhoop in de ogen van de moeder en wees haar erop dat Emillio misschien terecht kon in het vlakbij gelegen kindertehuis Casa Hogar, om van daaruit iedere dag het revalidatiecentrum te bezoeken. Een arts van het instituut bood aan Emillio en zijn moeder er dezelfde dag nog heen te rijden voor een kennismaking. Ze werden ontvangen door een Amerikaans echtpaar dat hun leven had gewijd aan de zorg voor de kinderen in het tehuis.

Tientallen kinderen verbleven permanent in Casa Hogar. Sommigen waren wees, anderen hadden alleenstaande moeders die niet in staat waren voor hen te zorgen. Ze kregen uitgelegd dat de kinderen meerdere maaltijden per dag kregen en ondersteund werden bij hun huiswerk. Ook leerden ze brood bakken en klussen.
Een klein meisje kwam op Emillio afgelopen en pakte hem bij zijn hand. Ze droeg een rood jurkje en liep op blote voeten.
“Hoe heet je?” vroeg ze.
“Ik heet Emillio Borgetti”, antwoordde hij. “Ik kom uit San Lucas.”
“Ik heet Carmen. Wil je met me spelen?”
Zonder zijn antwoord af te wachten trok ze hem mee aan zijn hand naar een blokkendoos waar ze Emillio een paar blokken in de hand duwde.

Op de terugreis twijfelde de moeder van Emillio hevig. Hoe kon ze Emillio ooit laten gaan? Hoe konden ze gescheiden van elkaar leven? Ze praatte een week lang veel met hem en vroeg hem keer op keer of hij een tijdje in Casa Hogar wilde wonen. Emillio moest telkens glunderen. Hij kon alleen maar denken aan de lange busreis die hem te wachten stond als ze weer naar de hoofdstad zouden afreizen, en aan Carmen. Hij moest ook aan Carmen denken.
“Ja mamma, ik wil heel graag naar Casa Hogar,” riep hij steeds weer, “ik wil er heel graag heen.”
Zijn moeder had een klein koffertje voor hem gekocht. Zorgvuldig vouwde ze de paar truien en broeken die hij had en deed ze in het koffertje.

De daaropvolgende jaren bezocht Emillio iedere zomervakantie zijn moeder twee weken lang. Hij had de blindenstok goed leren hanteren maar gebruikte hem niet in de straten die hij zo goed kende van zijn eerste levensjaren. In San Lucas at hij weer van de maïspannenkoekjes waar zijn moeder in streek zo befaamd om was en bezocht zijn oom bij de busmaatschappij. Van hem mocht hij altijd op zijn schoot zitten terwijl hij de dorpelingen naar de markt bracht en terug.

Toen hij negen jaar was beheerste Emillio het brailleschrift perfect. Zijn schoolresultaten waren uitmuntend en in de Casa Hogar had hij veel vrienden gemaakt. Hij hielp de jongere kinderen van het tehuis regelmatig met hun huiswerk en troostte de peuters die zich bij het vallen bezeerd hadden geduldig. Zijn zachtaardigheid en warmte maakten hem geliefd bij de kinderen van het tehuis, voor wie hij een broer en mentor in een was.

Op zijn zeventiende begon hij aan een studie bedrijfseconomie aan de Hogeschool in de hoofdstad. Na de afronding van zijn studie, die hij voortvarend had doorlopen, kreeg hij een goede betrekking bij het blindeninstituut in Oaxaca de Juárez. Emillio beheerde er het geld. Zijn moeder werkte inmiddels niet meer en had zich volledig geweid aan de kruiden die weelderig in haar tuin groeiden en de kippen die onvermoeibaar in de grond spitten met hun stompe snaveltjes. Hij stuurde haar maandelijks een geldbedrag dat ze onaangeroerd liet en opspaarde voor de moeilijke dagen waarvan ze hoopte dat die nooit zouden aanbreken.

Toen Emillio hoorde dat zijn oom zijn baan als buschauffeur dreigde te verliezen door de slechte financiële situatie van de private busmaatschappij, besloot hij een onverwacht bezoek aan San Lucas te brengen. Na zware onderhandelingen met de directeur van de busmaatschappij, die erom berucht was zijn werknemers uit te buiten en bij ziekte met ontslag te dreigen, was Emillio eigenaar geworden van de busmaatschappij. Hij doopte de maatschappij meteen tot de Borgetti busmaatschappij, en omdat hij het idee dat zijn oom nu zijn werknemer was niet kon verdragen, benoemde hij hem tot mededirecteur.

Samen reden ze dezelfde dag nog in een van de bussen van hun nieuwe onderneming naar het huis van zijn moeder. Vlak voor ze haar huis bereikten, vroeg Emillio aan zijn oom of hij het goed vond als hij de laatste 150 meter zou rijden. Emillio wist dat het een lange rechte weg was en dat zijn oom een man was die het avontuur niet schuwde.

Voor het eerst in zijn leven nam Emillio plaats achter het grote stuur van een bus. Hij vroeg zijn oom goed op te letten voor overstekende kinderen of ronddwalende honden. Langzaam trok hij op. De bus kwam hortend en stotend in beweging. Een siddering van gelukzaligheid trok door het lichaam van Emillio, hij gierde het uit van plezier. Zijn oom klopte hem hard op de schouders van trots. “Daar ga je dan Emillio!”

Een groepje kleine kinderen rende achter de trage bus aan. Toen zijn oom brulde dat hij moest remmen, trapte Emillio hard op het rempedaal. De banden van de bus gierden kort. Even zochten zijn handen de toeter, waarna Emillio het hard en lang induwde.
Zijn moeder kwam even later met samengeknepen oogjes naar buiten. Ze was gewekt tijdens haar siesta en keek verbaasd toen ze Emillio achter het stuur van de bus zag zitten. Even dacht ze dat zich een wonder had voltrokken, even stond ze de mogelijkheid van een mirakel toe en dacht ze dat Emillio kon zien, maar het moment erop dacht ze dat ze waarschijnlijk nog droomde en riep ze zijn naam. Nee, ze droomde niet en aan de manier waarop hij naar haar zwaaide merkte ze meteen dat aan zijn gezichtvermogen niets veranderd was. Moeizaam stapte ze de bus in en omhelsde haar zoon en kuste hem op zijn oogleden en voorhoofd.

De volgende zomer nam Emillio Carmen mee naar San Lucas. Ze had lang aan zijn hoofd gezeurd om met hem mee te mogen, tot Emillio de tijd rijp had geacht. Zijn moeder vond in Carmen de dochter waar ze altijd zo naar had verlangd. Geen seconde week ze van de zijde van Carmen. Ze ervoer een gevoel van geluk waarvan ze nooit had gedacht dat het ooit voor haar weggelegd zou zijn.

Een paar maanden later werd Carmen zwanger. De volgende zomer was ze uitgerekend.
Ze stond erop het kind in San Lucas op de wereld te zetten, omdat ze wilde dat het de eerste levensjaren in het geboortedorp van Emillio zou doorbrengen in de nabijheid zijn moeder.
Carmen schonk hem, na een soepele bevalling, een zoon die de naam Alejandro kreeg.
“Als hij oud genoeg is, zal hij me de zee beschrijven” zei Emillio trots terwijl hij met zijn handen het tere babygezichtje van Alejandro streelde.

Na de geboorte van Alejandro had Emillio zijn baan bij het blindeninstituut opgezegd en zich volledig gewijd aan het leiden van de busmaatschappij, waar zijn oom inmiddels was teruggetreden. De oom sleet zijn dagen knutselend aan vervallen bussen en kwam vaak op bezoek bij Emillio en Carmen. Hij kon er geen genoeg van krijgen om Alejandro heen en weer te wiegen in zijn armen.

Toen Alejandro vijf jaar was, nam Emillio hem voor het eerst mee naar de zee. Hij had zijn oom gevraagd hen tot aan het begin van het brede strand te rijden en Alejandro en hem vervolgens een moment alleen te laten. Aan Alejandro vroeg hij hem bij de hand te nemen en naar de zee te leiden.

Met zijn blote voeten sprong Alejandro direct op het hete zand om meteen weer terug te springen op het schelpenpad. Hij trappelde met zijn voetjes van schrik. Het geluid van de knisperende schelpen beviel hem wel. Zijn vader gooide de slippertjes van Alejandro op het zand waarna hij er voorzicht in stapte.

Alejandro wilde rechtstreeks de zee in rennen, hij trok Emillio ruw aan zijn arm en met zijn slippertjes schopte hij het zand wild in de rondte. Zijn vader moest hem afremmen. Hij pakte hem met twee handen op en kuste hem in zijn hals waarna hij hem heel voorzichtig eventjes de lucht in wierp. Alejandro gilde van plezier.

“Rustig Alejandro, papa kan niet zo snel over het zand lopen. Rustig maar.”
Samen liepen ze langzaam naar de zee, die door de stralende zon een gouden schittering had gekregen alsof de bodem ervan bezaaid lag met antieke munten uit een schatkist die in lang vervlogen tijden van boord van een enorm fregat was geslagen.

Toen Emillio de zee op de gewenste sterkte hoorde gaf hij aan dat hij wilde gaan zitten in het zand. Hij nam Alejandro op zijn schoot en wreef over zijn knietje.
“Nu mag je me vertellen wat je ziet. Vertel me maar wat je ziet Alejandro.”
“Ik zie de zee. Ik zie de zee en veel golven.”
“En, welke kleur heeft het?”
“Blauw! Hij is blauw papa!”

Dit korte verhaal is geïnspireerd door het werk van Casa Hogar in Oaxaca. Voor meer informatie over Casa Hogar, en meer dan welkome donaties, verwijs ik u graag door naar de website van de (Nederlandse) stichting Guadalupe: www.stichtingguadalupe.nl

Where am I?

You are currently viewing the archives for July, 2007 at Murat Isik.