De laatste reis

15 May 2010 | 2 reacties

 

We begonnen aan een reis die hij niet zou overleven. 
   Op de vroege ochtend van de eerste meidag in 1975, werd ik ruw gewekt. Ik voelde een hand op mijn borst waarna ik overeind schoot in bed. Twee handen die naar droge aarde roken, pakten me bij mijn hoofd vast. 
   ‘Rustig Metin.’ In de duisternis herkende ik meteen de stem van mijn opa. ‘We gaan op reis. Snel, we hebben weinig tijd.’
   Hij weigerde te zeggen waar we heen gingen. Misschien had ik moeten doorvragen, maar ik wist dat mijn opa een koppige man was en dat de eerste persoon die hem iets uit zijn hoofd kon praten nog voet in ons dorp moest zetten.
  ‘Deze reis moet ik maken’, zei hij alleen maar. ‘Deze reis ben ik iemand verschuldigd.’ 
   Ik wist niet wie mijn opa bedoelde met ‘iemand’ en wat hij diegene verschuldigd was. Ik wist alleen dat hij nimmer zo vastberaden had geklonken en dat ik hem wilde steunen bij datgene wat kennelijk zo belangrijk voor hem was.

  Mijn ouders hebben me op mijn zevende jaar bij mijn opa achtergelaten om in Ankara te gaan werken. Een jaar later kwamen ze om bij een verkeersongeluk. Sindsdien heeft mijn opa voor me gezorgd als was ik zijn eigen zoon. Hij leerde me paardrijden en geiten hoeden en samen trokken we iedere dag de koele bergen in achter het dorp. Ik leidde de geiten naar de sappige grasvelden en op momenten dat we tegen een boom leunden en uitkeken op de uitgestrekte vallei, vertelde hij me met weemoed in zijn stem verhalen over lang vervlogen tijden.

Het was nog donker toen we aan de reis begonnen en hoewel het warm was, had mijn opa een zware deken over zijn schouders geslagen. Het eerste uur spraken we nauwelijks. Af en toe gaf hij korte aanwijzingen over de route en zo nu en dan kuchte hij zo hevig dat het paard er zelfs van schrok. Na ongeveer drie uur pauzeerden we langs een beekje. Het was nog vroeg, maar de hitte was bijna ondraaglijk. Mijn hemd plakte aan mijn rug.
   ‘Dede, kun je me nu alsjeblieft vertellen waar we heen gaan?’
   Hij keek me lang zwijgend aan en zei toen kalm: ‘Als je belooft niet door te vragen.’
   Ik knikte. 
   ‘We gaan naar mijn geboortedorp Baltaş.’ 
   Ik heb altijd gedacht dat mijn opa ook in ons dorp geboren was. Wat wilde hij in Baltaş doen? Wie wilde hij daar ontmoeten? 
   ‘Het is een klein dorp waar wilde bijen hun nest bouwen in de spleten van de rotsen aan de voet van de berg. De honing lokte in het voorjaar altijd bruine beren naar het dorp.’
   Hij kon prachtig vertellen met zijn stem die nergens geschikter voor leek dan gebeurtenissen uit vroegere tijden weer tot leven wekken. 
   ‘De jagers van ons dorp schoten de beren af.’
   ‘Waarom?’
   ‘De legende ging dat het rauwe vlees van de beer heilzaam was voor zwangere vrouwen en zou zorgen voor sterke zoons.’
   ‘Was dat echt zo?’ 
    Mijn opa glimlachte en stak zijn dunne armen de lucht in. ‘Kijk maar naar mij, mijn moeder heeft heel wat rauw berenvlees gegeten zoals je kunt zien!’
   Hij begon hard en aanstekelijk te lachen maar plotseling greep hij naar zijn borst en begon hard te hoesten. Sinds een jaar had hij last van een chronische hoest die de laatste maanden in intensiteit was toegenomen. Meestal verdween de hoest snel maar nu zette het hevig door. Het ontnam hem bijna alle lucht en deed zijn gezicht purper kleuren. Hij hapte naar adem. Ik klopte hem vertwijfeld op zijn rug waarna de hoest langzaam verdween.  
   Toen we verder reden bekeek ik mijn opa vanuit mijn ooghoek. Zijn rode baard, blauwe ogen en uitstekende jukbeenderen hadden hem eens een krachtige uitstraling gegeven maar de laatste tijd was er een grijze gloed over zijn gezicht gevallen. Hij was sterk vermagerd en bewoog trager en behoedzamer, alsof hij bang was om te vallen en iets te breken.
   Zonder me aan te kijken zei hij ineens: ‘Soms is het nodig je spijt te betuigen, al zijn er nog zoveel jaren verstreken. Het is niet goed je schuldgevoel mee het graf in te nemen.’ Ik hoopte vurig dat hij verder zou vertellen, maar hij zweeg. Ik keek om me heen naar de bergen met de eeuwige sneeuw op de toppen. De kale en verlaten vlakte bood ons geen enkele beschutting tegen de brandende zon. Af en toe blies een warme bries stof in onze richting en hoog aan de hemel torende een steenarend boven ons uit. Hij leek stil in de lucht te hangen.
   Tijdens onze tweede pauze at mijn opa eindelijk wat. Met de tanden die hij nog had, nam hij kleine hapjes van een stuk brood. Ik ging liggen en sloot mijn ogen. De warmte en vermoeidheid deden mij snel wegdommelen. 
   Toen ik even later wakker werd van het gehoest van mijn opa, zag ik dat hij zich had opgerold als een egeltje. Zijn lichaam schokte. Snel rende ik naar hem toe en trok hem overeind. Zijn gezicht was asgrauw en het leek of hij stikte. 
   Hij duwde een enveloppe in mijn handen. ‘V-v-voor…Yıl-maz,’ zei hij moeizaam. 
   Daarna hoestte hij bloed op. Ik verstijfde. Zijn ogen draaiden weg in hun kassen. Ik pakte hem bij zijn hoofd en trok hem naar me toe terwijl ik ‘dede, dede!’ schreeuwde. Langzaam voelde ik de kracht uit zijn oude lichaam stromen tot hij als een slappe pop in mijn armen lag. Ik drukte mijn oor tegen zijn borst, maar ik hoorde niets. Een ijzingwekkende rilling trok door mijn lichaam. Mijn adem stokte. Vertwijfeld rende ik naar het zandweggetje en schreeuwde tevergeefs om hulp. Ik wierp me naast hem op de grond en schudde hem hardhandig door elkaar.
   ‘Dede word wakker!’ schreeuwde ik. ‘Word alsjeblieft wakker dede!’ 
   Zo zat ik daar urenlang met mijn opa in mijn armen.
   Ik was zestien jaar en had niemand meer op deze wereld.
   Ik legde hem achterin de paardenwagen. Tot mijn verbazing woog hij nauwelijks zwaarder dan een kind. Ik bedekte hem met een deken. Mijn opa wilde naar zijn geboortedorp en dat de enveloppe bij iemand die Yılmaz heette terecht zou komen. En ik zou daar zorg voor dragen. 

Zonder te stoppen reed ik urenlang over hobbelige zandweggetjes. Ik voelde hoe de felle middagzon mijn voorhoofd verschroeide en negeerde de honger en dorst terwijl ik het paard wild sloeg met het zweepje. Het beest snakte briesend naar lucht in de verzengende middaghitte.
   Toen het schemerde, zag ik een dorp in de verte verschijnen. In de straten liepen kleine kinderen achter de paardenwagen aan. Ik stopte bij een pleintje. Toen ik afstapte, tolde mijn hoofd en klampte ik me vast aan de paardenwagen. Langzaam verzamelde zich een groep mensen rondom mij. Oude mannen en vrouwen keken mij verwonderd aan.
   In de menigte zag ik hem staan. Zijn rode baard, blauwe ogen en uitstekende jukbeenderen deden mijn blik verstijven.
   Mijn opa stond voor me. 
   Nu wist ik het zeker, ik had een zonnesteek opgelopen, of erger: ik was krankzinnig geworden!
   Hij trad naar voren en zei: ‘Welkom in Baltaş. Wie ben jij jongen?’ Zijn stem klonk anders dan die van mijn opa. Hij was het niet maar leek er sprekend op.
   ‘Ik…ik ben M-Metin,’ mijn stem bibberde. ‘Ik…ik ben de kleinzoon van Mustafa Ali Bulut.’
   De man keek me verbijsterd aan. ‘Mustafa Ali Bulut? Ben jij de kleinzoon van Mustafa Ali Bulut?’
   ‘Ja.’
   ‘Mijn God,’ zei hij terwijl hij zijn hand voor zijn mond sloeg. ‘Ik ben Yılmaz Bulut, zijn tweelingbroer. Metin, wat is er gebeurd? Waarom ben je zo overstuur?’
   Ik verstarde. Hij was dus Yılmaz…de tweelingbroer van mijn opa. Zonder om te kijken wees ik naar de paardenwagen.
   ‘Wat is er daar?’
   ‘Er…er is iets gebeurd…onderweg. Het is verschrikkelijk. Mijn dede…’ Ik kon mijn zin niet afmaken. Tranen stroomden over mijn wangen.
   Yılmaz liep naar het laadgedeelte. Hij zag de deken die iets bedekte, iets groots. Met een snelle beweging trok hij hem weg. Hij wendde zijn blik niet af, maar bleef kijken tot zijn hoofd naar zijn borst zakte waarna hij zijn ogen met zijn hand bedekte. Met de rug van zijn hand streelde hij zachtjes de wang van mijn opa en trok daarna de deken weer over zijn gezicht. Met vochtige ogen keek hij me aan en zonder de emotie in zijn stem te verbergen zei hij: ‘Metin, wat is er onderweg gebeurd?’
   ‘We…we gingen rusten…toen ik wakker werd…was hij ineens overleden…’ Ik snikte onbeheerst. ‘Ik…weet niet…ik…’
   Hij onderbrak me: ‘Rustig maar Metin, je bent moe en overstuur. Rust en eet eerst wat. Daarna praten we verder.’
   Hij nam me mee naar een huis waar ik op een bed ging liggen en meteen wegzakte in een diepe slaap. Toen ik wakker werd zag ik op een tafeltje wat brood en kaas en een glas ayran liggen. Schrokkend werkte ik het naar binnen. Daarna betrad Yılmaz de kamer met rooddoorlopen ogen. Hij ging naast me zitten. ‘Kun je me nu iets meer vertellen?’
   Nadat hij me had aangehoord zei hij: ‘Mustafa en ik hebben elkaar sinds zijn vertrek uit Baltaş nooit meer gezien. Jarenlang heb ik hem vergeefs gezocht.’
   En toen vertelde hij over hun jeugd, over de verschrikkelijke honger tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen ze zestien waren en de Ottomaanse soldaten in hevige gevechten met de Russen waren verwikkeld. Toen de oorlog zo goed als voorbij was, gingen Yılmaz en zijn vader op zoek naar eten. Mijn opa werd door zijn vader bevolen thuis te blijven om op zijn moeder en zusje te letten omdat er mogelijk nog afgedwaalde Russische soldaten rondliepen. Maar het was al wekenlang rustig en mijn opa had zijn vriend Cemil lang niet gezien en besloot hem kort op te zoeken. 
   ‘Toen mijn vader en ik thuis keerden, zagen we mijn moeder en zusje in een plas bloed liggen. Ze waren bruut afgeslacht door de Russen. Mustafa zat er verloren bij op zijn knieën. Hij was het volledig kwijt en sprak wekenlang geen woord. Hoewel we hem niet beschuldigden, kon mijn broer niet met het schuldgevoel leven. Na een maand verliet hij het dorp in alle vroegte.’ Zijn stem trilde. ‘Ik heb hem nooit meer gezien.’
   Ik omhelsde de man die sprekend op mijn opa leek. En even leek het alsof hij nog bij me was, alsof hij zelf de tragiek van zijn leven aan mij toevertrouwde en we samen huilden om het wrede verleden. En even leek het of ik zijn warme hart tegen mijn borst voelde kloppen. 
   ‘Hij heeft me verteld dat het hem spijt,’ zei ik. 
   Een traan trok een streep over het gezicht van de broer van mijn opa en verdween in zijn baard. ‘Ik weet het. En ik heb het hem lang geleden al vergeven. Ik had hem dat zo graag zelf verteld, hem na al die jaren graag nog een keer tegen me aangedrukt.’
   Ik gaf hem de enveloppe. Verbaasd opende hij hem. Er zat een zwart-witfoto in van een jaar of twee geleden waarop mijn opa en ik voor ons huis stonden. Mijn opa lachte zijn gulle lach en had trots een arm om me heen geslagen.
   Ik keek naar de foto in de trillende hand van Yılmaz en voelde iets zwaars in mijn keel zitten.   
   ‘Mijn…mijn lieve broer,’ stamelde hij.
De volgende dag werd mijn opa begraven. Zijn graf kwam naast dat van zijn ouders en zusje te liggen. Yılmaz wilde iets voorlezen tijdens de dienst, maar kwam niet uit zijn woorden en zei toen alleen: ‘Lieve broer…rust zacht.’
   Ik keek naar zijn zoons en kleinkinderen. Hoewel ze mijn vader nooit gekend hadden, sloegen ze aangedaan hun handen voor hun gezicht.
   Verloren liep ik na de dienst naar de paardenwagen. Yılmaz haalde me in en legde een hand op mijn schouder. ‘Metin, blijf alsjeblieft bij ons in Baltaş, dit is nu jouw thuis, wij zijn jouw familie.’
   En terwijl hij me stevig tegen zich aandrukte, zakte de rode zon langzaam weg achter de besneeuwde bergtoppen en vloog een eenzame steenarend terug naar zijn nest.   

 

Met dit korte verhaal won Isik op 15 mei 2011 de El Hizjra Literatuurprijs 2011.

2 Reacties op “De laatste reis”

  • Annemiek Kempers says:

    Murat,
    Allereerst gefeliciteerd met de prachtige El Hizjra Literatuurprijs.

    Het Verhaal vind ik prachtig en het ontroerde me. Nou het is een verdiende prijs.

    Vriendelijke groet, Annemiek

  • Jop says:

    Heel mooi…

  • Reageer

Je leest nu De laatste reis.

Info over dit bericht: