15 May 2010 |
We begonnen aan een reis die hij niet zou overleven.
Op de vroege ochtend van de eerste meidag in 1975, werd ik ruw gewekt. Ik voelde een hand op mijn borst waarna ik overeind schoot in bed. Twee handen die naar droge aarde roken, pakten me bij mijn hoofd vast.
‘Rustig Metin.’ In de duisternis herkende ik meteen de stem van mijn opa. ‘We gaan op reis. Snel, we hebben weinig tijd.’
Hij weigerde te zeggen waar we heen gingen. Misschien had ik moeten doorvragen, maar ik wist dat mijn opa een koppige man was en dat de eerste persoon die hem iets uit zijn hoofd kon praten nog voet in ons dorp moest zetten.
‘Deze reis moet ik maken’, zei hij alleen maar. ‘Deze reis ben ik iemand verschuldigd.’ » Lees verder «
23 July 2008 |
Na de dood van mijn opa was ze hertrouwd, wat in het Turkije van die tijd ondenkbaar was. Ze was toen vijfenvijftig jaar. Het tekende haar grenzeloze rebellie waarvan met de tijd een aanzienlijk deel op mijn vader is overgegaan maar nog geen vleugje ervan mij ooit heeft bereikt.
Vroeger vertelde mijn vader veel over haar, over de tijd waarin zijn moeder niet alleen regelmatig haar oudere broers genadeloos de mond snoerde in het openbaar, maar ook de dorpoudsten, de onaantastbaren, daar waar nodig verbouwereerd achterliet. Vrouwen zijn geen straatvechters, maar ondanks haar geringe lengte was zij er onmiskenbaar één. Ze bezat een stem als een orkaan en vlammende ogen waar de vrouwen van het dorp in Varto, in het uiterste Oosten van Turkije waar zij de helft van haar leven heeft gewoond, onmogelijk tegen bestand waren. » Lees verder «
23 July 2008 |
Veel had hij niet fout gedaan in zijn leven. Daar lag het niet aan. Zijn prestaties die het vermelden waard waren, besloegen nauwelijks twee regels. Maar daar lag het ook niet aan. Het probleem was dat Meindert Zoetelief er nooit achter was gekomen waar het wél aan lag, wat er de oorzaak van was dat maakte dat mensen hem liever meden, dat ze hem geen biertje aanboden of hem niet bij hen thuis uitnodigden voor een warme maaltijd of verjaardagspartijtje. Vooruit, hij was nooit zo’n prater of vragensteller geweest, maar hij luisterde wel graag naar de verhalen van zijn medemens. Dat was wat hij goed kon: luisteren. Luisteren en niet opvallen. Dat was toch ook wat waard in een tijd waarin iedereen gehoord wilde worden en op wilde vallen? Mensen zoals hij waren nodig om dat mogelijk te maken, om te luisteren naar de verhalen zonder kop en staart en een podium te creëren voor onooglijke eenmansoptredens.
Op de vraag van zijn baas of er een misschien een probleem was waar hij niet van op de hoogte was, antwoordde Meindert: ‘Ik weet het niet.’
» Lees verder «
18 April 2008 |
De plotseling opstekende zeebries die op de laatste vrijdag van die droeve augustus in 1977 de geur van rottende vis en vergane krabben de stad inblies, deed hem niet langer denken aan de smerige haven van Riohacha, de stad die hij jaren geleden in een dolle vlucht achter zich had gelaten.
Octavio Herrera liep over de recent geplaveide boulevard van Tumaco en keek niet naar de donkere zee, maar dacht voor de laatste keer aan zijn geliefde Prudencia de la Cruz, de mulattin met de tomeloze hartstocht, die hem twee jaar geleden had verlaten voor een arme schipper uit Lima met het uiterlijk van een ontroostbaar weeskind.
En hij dacht aan zijn naderende dood.