De plotseling opstekende zeebries die op de laatste vrijdag van die droeve augustus in 1977 de geur van rottende vis en vergane krabben de stad inblies, deed hem niet langer denken aan de smerige haven van Riohacha, de stad die hij jaren geleden in een dolle vlucht achter zich had gelaten.
Octavio Herrera liep over de recent geplaveide boulevard van Tumaco en keek niet naar de donkere zee, maar dacht voor de laatste keer aan zijn geliefde Prudencia de la Cruz, de mulattin met de tomeloze hartstocht, die hem twee jaar geleden had verlaten voor een arme schipper uit Lima met het uiterlijk van een ontroostbaar weeskind.
En hij dacht aan zijn naderende dood.
Zoals Oaxaca, het gebied waar hij ter wereld was gekomen in het zuiden van Mexico, gevangen is tussen het Sierra Madre del Sur gebergte en de Grote Oceaan, zo was hij gevangen in zijn eigen wereld zonder daglicht of kleur. Zijn ogen zouden hem nooit in staat stellen de hem omringende bergachtige wereld vol fijne rode stof en mysterieuze guajebomen te aanschouwen. Emillio Borgetti was blind geboren.
Zijn moeder, die weduwe was geworden toen hij twee jaar was, moest de grootse plannen die zij met Emillio had bijstellen. Hij zou geen arts of advocaat worden, met die gedachte had ze zich al vroeg verzoend. Maar ze hoopte dat hij zichzelf zou kunnen redden als zij te oud was geworden om de zelf gebakken maïspannenkoekjes nog te verkopen in haar kraampje. Aan de dag dat hij zonder haar moest verder leven, durfde ze geen seconde te denken.
Ze vestigde haar hoop op het blindeninstituut in Oaxaca waar ze door de enige onderwijzer van het dorp op gewezen was. Daar moest Emillio leren lezen, daar moesten gekwalificeerde mensen haar het vertrouwen geven dat ze miste voor de toekomst. Ze wilde in staat zijn te geloven dat Emillio het zou redden en zou uitgroeien tot een zelfstandige en zelfredzame man.
Toen Emillio vijf jaar was nam ze hem mee naar Oaxaca de Juárez, de hoofdstad van de staat Oaxaca. De busreis van hun dorp San Lucas naar de hoofdstad nam zes uur in beslag. De kleine Emillio zat de hele rit rustig bij het raam met een kalme glimlach rond zijn mondhoeken terwijl de bus zo nu en dan heen en weer werd geslingerd over het gehavende wegdek. Door zijn liefde voor bussen was hij erg opgetogen over zijn eerste lange busreis.
Tijdens de rit mocht hij van zijn moeder af en toe zijn hoofd uit het raam steken. Ze hield hem stevig vast wanneer hij lachend riep dat hij de zee kon ruiken. En als het af en toe regende onderweg riep hij dolenthousiast dat hij de zee nu ook kon voelen.
“Maar ik wil het ook zien mama. Ik wil zo graag de zee zien.”
In het blindeninstituut in Oaxaca de Juárez waren ze enthousiast over Emillio. Zijn intelligentie en enthousiasme maakte in hun ogen van hem een ideale kandidaat om zich snel de vaardigheden eigen te maken die hem verder zouden helpen in het leven. Het goede nieuws maakte Emillio’s moeder opgewekt en somber tegelijk. Er was hoop, maar de hoop was complex. Ze kon onmogelijk iedere dag de lange busreis naar de hoofdstad met Emillio ondernemen.
Het personeel van het blindeninstituut las de wanhoop in de ogen van de moeder en wees haar erop dat Emillio misschien terecht kon in het vlakbij gelegen kindertehuis Casa Hogar, om van daaruit iedere dag het revalidatiecentrum te bezoeken. Een arts van het instituut bood aan Emillio en zijn moeder er dezelfde dag nog heen te rijden voor een kennismaking. Ze werden ontvangen door een Amerikaans echtpaar dat hun leven had gewijd aan de zorg voor de kinderen in het tehuis.
Tientallen kinderen verbleven permanent in Casa Hogar. Sommigen waren wees, anderen hadden alleenstaande moeders die niet in staat waren voor hen te zorgen. Ze kregen uitgelegd dat de kinderen meerdere maaltijden per dag kregen en ondersteund werden bij hun huiswerk. Ook leerden ze brood bakken en klussen.
Een klein meisje kwam op Emillio afgelopen en pakte hem bij zijn hand. Ze droeg een rood jurkje en liep op blote voeten.
“Hoe heet je?” vroeg ze.
“Ik heet Emillio Borgetti”, antwoordde hij. “Ik kom uit San Lucas.”
“Ik heet Carmen. Wil je met me spelen?”
Zonder zijn antwoord af te wachten trok ze hem mee aan zijn hand naar een blokkendoos waar ze Emillio een paar blokken in de hand duwde.
Op de terugreis twijfelde de moeder van Emillio hevig. Hoe kon ze Emillio ooit laten gaan? Hoe konden ze gescheiden van elkaar leven? Ze praatte een week lang veel met hem en vroeg hem keer op keer of hij een tijdje in Casa Hogar wilde wonen. Emillio moest telkens glunderen. Hij kon alleen maar denken aan de lange busreis die hem te wachten stond als ze weer naar de hoofdstad zouden afreizen, en aan Carmen. Hij moest ook aan Carmen denken.
“Ja mamma, ik wil heel graag naar Casa Hogar,” riep hij steeds weer, “ik wil er heel graag heen.”
Zijn moeder had een klein koffertje voor hem gekocht. Zorgvuldig vouwde ze de paar truien en broeken die hij had en deed ze in het koffertje.
De daaropvolgende jaren bezocht Emillio iedere zomervakantie zijn moeder twee weken lang. Hij had de blindenstok goed leren hanteren maar gebruikte hem niet in de straten die hij zo goed kende van zijn eerste levensjaren. In San Lucas at hij weer van de maïspannenkoekjes waar zijn moeder in streek zo befaamd om was en bezocht zijn oom bij de busmaatschappij. Van hem mocht hij altijd op zijn schoot zitten terwijl hij de dorpelingen naar de markt bracht en terug.
Toen hij negen jaar was beheerste Emillio het brailleschrift perfect. Zijn schoolresultaten waren uitmuntend en in de Casa Hogar had hij veel vrienden gemaakt. Hij hielp de jongere kinderen van het tehuis regelmatig met hun huiswerk en troostte de peuters die zich bij het vallen bezeerd hadden geduldig. Zijn zachtaardigheid en warmte maakten hem geliefd bij de kinderen van het tehuis, voor wie hij een broer en mentor in een was.
Op zijn zeventiende begon hij aan een studie bedrijfseconomie aan de Hogeschool in de hoofdstad. Na de afronding van zijn studie, die hij voortvarend had doorlopen, kreeg hij een goede betrekking bij het blindeninstituut in Oaxaca de Juárez. Emillio beheerde er het geld. Zijn moeder werkte inmiddels niet meer en had zich volledig geweid aan de kruiden die weelderig in haar tuin groeiden en de kippen die onvermoeibaar in de grond spitten met hun stompe snaveltjes. Hij stuurde haar maandelijks een geldbedrag dat ze onaangeroerd liet en opspaarde voor de moeilijke dagen waarvan ze hoopte dat die nooit zouden aanbreken.
Toen Emillio hoorde dat zijn oom zijn baan als buschauffeur dreigde te verliezen door de slechte financiële situatie van de private busmaatschappij, besloot hij een onverwacht bezoek aan San Lucas te brengen. Na zware onderhandelingen met de directeur van de busmaatschappij, die erom berucht was zijn werknemers uit te buiten en bij ziekte met ontslag te dreigen, was Emillio eigenaar geworden van de busmaatschappij. Hij doopte de maatschappij meteen tot de Borgetti busmaatschappij, en omdat hij het idee dat zijn oom nu zijn werknemer was niet kon verdragen, benoemde hij hem tot mededirecteur.
Samen reden ze dezelfde dag nog in een van de bussen van hun nieuwe onderneming naar het huis van zijn moeder. Vlak voor ze haar huis bereikten, vroeg Emillio aan zijn oom of hij het goed vond als hij de laatste 150 meter zou rijden. Emillio wist dat het een lange rechte weg was en dat zijn oom een man was die het avontuur niet schuwde.
Voor het eerst in zijn leven nam Emillio plaats achter het grote stuur van een bus. Hij vroeg zijn oom goed op te letten voor overstekende kinderen of ronddwalende honden. Langzaam trok hij op. De bus kwam hortend en stotend in beweging. Een siddering van gelukzaligheid trok door het lichaam van Emillio, hij gierde het uit van plezier. Zijn oom klopte hem hard op de schouders van trots. “Daar ga je dan Emillio!”
Een groepje kleine kinderen rende achter de trage bus aan. Toen zijn oom brulde dat hij moest remmen, trapte Emillio hard op het rempedaal. De banden van de bus gierden kort. Even zochten zijn handen de toeter, waarna Emillio het hard en lang induwde.
Zijn moeder kwam even later met samengeknepen oogjes naar buiten. Ze was gewekt tijdens haar siesta en keek verbaasd toen ze Emillio achter het stuur van de bus zag zitten. Even dacht ze dat zich een wonder had voltrokken, even stond ze de mogelijkheid van een mirakel toe en dacht ze dat Emillio kon zien, maar het moment erop dacht ze dat ze waarschijnlijk nog droomde en riep ze zijn naam. Nee, ze droomde niet en aan de manier waarop hij naar haar zwaaide merkte ze meteen dat aan zijn gezichtvermogen niets veranderd was. Moeizaam stapte ze de bus in en omhelsde haar zoon en kuste hem op zijn oogleden en voorhoofd.
De volgende zomer nam Emillio Carmen mee naar San Lucas. Ze had lang aan zijn hoofd gezeurd om met hem mee te mogen, tot Emillio de tijd rijp had geacht. Zijn moeder vond in Carmen de dochter waar ze altijd zo naar had verlangd. Geen seconde week ze van de zijde van Carmen. Ze ervoer een gevoel van geluk waarvan ze nooit had gedacht dat het ooit voor haar weggelegd zou zijn.
Een paar maanden later werd Carmen zwanger. De volgende zomer was ze uitgerekend.
Ze stond erop het kind in San Lucas op de wereld te zetten, omdat ze wilde dat het de eerste levensjaren in het geboortedorp van Emillio zou doorbrengen in de nabijheid zijn moeder.
Carmen schonk hem, na een soepele bevalling, een zoon die de naam Alejandro kreeg.
“Als hij oud genoeg is, zal hij me de zee beschrijven” zei Emillio trots terwijl hij met zijn handen het tere babygezichtje van Alejandro streelde.
Na de geboorte van Alejandro had Emillio zijn baan bij het blindeninstituut opgezegd en zich volledig gewijd aan het leiden van de busmaatschappij, waar zijn oom inmiddels was teruggetreden. De oom sleet zijn dagen knutselend aan vervallen bussen en kwam vaak op bezoek bij Emillio en Carmen. Hij kon er geen genoeg van krijgen om Alejandro heen en weer te wiegen in zijn armen.
Toen Alejandro vijf jaar was, nam Emillio hem voor het eerst mee naar de zee. Hij had zijn oom gevraagd hen tot aan het begin van het brede strand te rijden en Alejandro en hem vervolgens een moment alleen te laten. Aan Alejandro vroeg hij hem bij de hand te nemen en naar de zee te leiden.
Met zijn blote voeten sprong Alejandro direct op het hete zand om meteen weer terug te springen op het schelpenpad. Hij trappelde met zijn voetjes van schrik. Het geluid van de knisperende schelpen beviel hem wel. Zijn vader gooide de slippertjes van Alejandro op het zand waarna hij er voorzicht in stapte.
Alejandro wilde rechtstreeks de zee in rennen, hij trok Emillio ruw aan zijn arm en met zijn slippertjes schopte hij het zand wild in de rondte. Zijn vader moest hem afremmen. Hij pakte hem met twee handen op en kuste hem in zijn hals waarna hij hem heel voorzichtig eventjes de lucht in wierp. Alejandro gilde van plezier.
“Rustig Alejandro, papa kan niet zo snel over het zand lopen. Rustig maar.”
Samen liepen ze langzaam naar de zee, die door de stralende zon een gouden schittering had gekregen alsof de bodem ervan bezaaid lag met antieke munten uit een schatkist die in lang vervlogen tijden van boord van een enorm fregat was geslagen.
Toen Emillio de zee op de gewenste sterkte hoorde gaf hij aan dat hij wilde gaan zitten in het zand. Hij nam Alejandro op zijn schoot en wreef over zijn knietje.
“Nu mag je me vertellen wat je ziet. Vertel me maar wat je ziet Alejandro.”
“Ik zie de zee. Ik zie de zee en veel golven.”
“En, welke kleur heeft het?”
“Blauw! Hij is blauw papa!”
Dit korte verhaal is geïnspireerd door het werk van Casa Hogar in Oaxaca. Voor meer informatie over Casa Hogar, en meer dan welkome donaties, verwijs ik u graag door naar de website van de (Nederlandse) stichting Guadalupe: www.stichtingguadalupe.nl
Sommige dingen zijn onvermijdelijk, andere dingen moeilijk te aanvaarden.
Dat we op deze ijskoude januarimiddag op de goedhartigheid waren aangewezen van een miezerige Amerikaan, die op JFK Airport de rol van grondsteward met weinig verve en opzichtig gedemonstreerde tegenzin vervulde, was moeilijk te aanvaarden.
Terwijl de sneeuw vanuit een ijzige hemel onophoudelijk op ons neerdwarrelde, probeerden Delgadina en ik, nu eens stilstaand dan weer stap voor stap vooruit schuifelend in een eindeloos lijkende rij die van halverwege de parkeerplaats tot de detectiepoorten in de luchthaven reikte, gate 12 te bereiken waarvandaan onze vlucht naar Amsterdam over vijfenveertig minuten zou vertrekken.
Het gevoel in mijn handen was verdwenen en mijn loopneus had voor een spoortje ijs op mijn bovenlip gezorgd dat in combinatie met de snijdende wind mijn gezicht een blauwe gloed gaf die nooit meer leek weg te trekken.
De verscherpte en tijdrovende veiligheidsmaatregelen bij het inchecken op de luchthaven, die het gevolg waren van de tragedie die deze stad vier maanden eerder op 11 september 2001 voor altijd had verminkt, hadden geleid tot een nietsontziende chaos waarbij stilstaande reizigers, op elkaar gestapelde koffers en vastzittende taxi’s tot in het oneindige het blikveld vulden.
De grondsteward plukte zo nu en dan passagiers uit de rij die hun vlucht dreigden te missen. Deze reageerden alsof ze op het laatste moment uit een rij ter dood veroordeelden, die het vuurpeloton wachtte, werden gelicht door de dienstdoende beul die niet bekend stond om zijn menselijke trekjes en niet eerder zo vol clementie voor de dag was gekomen.
Tevergeefs had ik de grondsteward er een paar keer op gewezen dat we onze vlucht naar Amsterdam dreigden te missen met dit tempo van de als een versufte naaktslak voortkruipende rij.
De eerste keer reageerde hij niet. De tweede keer zei hij dat hij me de eerste keer wel had gehoord en de derde keer liep hij met zware stappen en priemende ogen op me af en zei: “Meneer, het is u vast niet ontgaan dat u niet de enige bent die een vlucht moet halen en het is u vast ook niet ontgaan dat ik alles doe wat in mijn vermogen ligt om iedereen zo goed mogelijk te helpen?”
Zijn ogen keken als die van een uitgedaagde straatvechter op zijn retour die hoopte op een bijdehand weerwoord dat een ongeremde woedeaanval zou rechtvaardigen en uiteindelijk zou ontaarden in zijn laatste glorieuze gevecht, voordat hij zich definitief terug zou trekken en een ordelijk burgerlijk leven zou leiden.
Ik was bereid de straatvechter in hem uit te dagen.
“Wat mij in ieder geval niet ontgaan is, is dat uw hoofd mij doet denken aan dat van een opgejaagd varken dat het slachthuis ternauwernood is ontvlucht. Graag zou ik een ‘Granny Smith’ in uw bek duwen alvorens ik u hoogstpersoonlijk weer aflever bij het slachthuis.”
Maar ik glimlachte slechts schijnheilig naar hem en zei in werkelijkheid: “Dank u.” Het deprimerende besef dat deze man onze enige hoop was de vlucht te halen, was tijdig tot me doorgedrongen.
Hij liep triomfantelijk weg, de kleine man die teerde op dit soort nietszeggende succesjes en het geruststellende gevoel nodig had dat hij niet alleen bereid maar ook in staat was zijn plek op deze wereld tegen elke prijs te bevechten. Het was waarschijnlijk het enige dat hem een zekere mate van eigendunk gaf.
Delgadina, die ik met Oud en Nieuw in New York had opgezocht na een semester Internationaal recht aan de staatsuniversiteit van San Francisco gestudeerd te hebben, had weinig oog voor dit gespannen tafereel of het dreigende onheil dat ons wachtte. Ze was met haar vriend aan het bellen, de hele tijd. Ik durfde nauwelijks op mijn horloge te kijken.
Hoewel de situatie er niet naar was, had de grondsteward zich even later teruggetrokken uit de drukte om zijn handen te warmen aan een bekertje koffie. Het zou me niet verbazen als hij er whisky in had gedaan, de schoft.
Ik trok de kraag van mijn jas omhoog en dwong mezelf uit de rij te stappen om hem te smeken ons ter wille te zijn. Ik begreep niet goed waarom mijn stem beefde toen ik mijn smeekbede ten gehore bracht, mijn waardigheid daarbij op het spel zettend. Misschien zou het hem een menselijke reactie ontlokken of zou het hem het gevoel van superioriteit geven dat nodig was zijn medewerking eindelijk te verkrijgen. Maar het enige dat hij zei was: “Vertelt u me toch iets nieuws.” Hij glunderde en genoot intens van dit moment. Hij haalde zijn neus luid op.
Ik balde mijn vuisten, ik had één goede slag nodig, meer niet. Hij zou nooit genoeg tijd hebben om het geluid van brekend kraakbeen in zijn neus te voorkomen. Het gevoel in mijn handen kwam terug bij deze plezierige gedachte, maar ik duwde mijn vuisten onder de oksels van mijn jas. Hij slurpte zijn koffie opzichtig op, me daarbij besmuikt aankijkend met zijn ‘zieke’ oogjes. Hij had zich slecht geschoren.
Het zou me weinig moeite kosten zijn keel dicht te knijpen tot hij gorgelend en kwijlend aan zijn verdiende einde zou komen. Het zou me veel genoegdoening schenken. Maar ik draaide me zonder verder iets te zeggen om en voegde me slaafs weer in de rij die nauwelijks vordering had gemaakt.
“We gaan onze vlucht missen. Daar zorgt die eikel wel voor.”
“Nee joh, ze houden dat vliegtuig wel aan de grond tot iedereen aan boord is,” zei Delgadina.
Ik slikte. Mijn keel voelde droog aan. We hadden een wonder nodig om onze vlucht nog te halen.
Een wonder.
En ineens ging het snel. Met nog elf minuten te gaan plukte de grondsteward ons uit de rij en wees driftig richting de detectiepoorten. Delgadina en ik strompelden langs een hindernisbaan vol overspannen reizigers en een barricade aan koffers het luchthavengebouw binnen. Voordat we door de detectiepoorten konden lopen, moesten we onze schoenen uittrekken. Delgadina ging op de grond zitten om haar laarzen uit te krijgen. Ik schopte mijn schoenen uit.
“Meneer, wilt u zo vriendelijk zijn uw koffer open te maken?”
Bij de x-ray van mijn koffer was een vreemd object waargenomen. Het was een Zwitsers zakmesje. Hoewel ik het niet als handbagage meenam, was de veiligheidsmedewerker onvermurwbaar. Ik moest het achterlaten.
We renden naar de incheckbalie waar het rustig was. Ik smeet onze tickets op de balie waar een jonge dame al verontschuldigend met haar hoofd schudde.
“Sorry meneer, de gate is al dicht.”
“Wat? Maar we hebben nog drie minuten! Laat u ons er toch alstublieft doorheen!”
“Het spijt me meneer.”
“We hebben uren buiten in de rij gewacht. We moeten met deze vlucht mee! Kunt u niets voor ons doen?”
Na verder aandringen belde ze, met een blik die weinig ruimte voor hoop liet, iemand die in dit soort situaties de knoop mag doorhakken.
“John, ik heb hier nog twee personen voor de vlucht naar Amsterdam. Kunnen ze nog mee? Nee? Hmm, oké.”
Ik versteende en kreeg geen lucht meer. Alles draaide om mij heen. Ik wilde me op de grond gooien en mijn bevroren vuisten op de grond stukslaan en niet meer opstaan. Ik zag mijn vriendin voor me. Ze had zich al weken verheugd op mijn thuiskomst. Mijn vrienden hadden een welkomstfeestje georganiseerd. Mijn moeder zou mijn lievelingsmaaltijd bereiden. Ik moest ze nu teleurstellen.
Zonder wat tegen elkaar te zeggen sleepten Delgadina en ik onze koffers naar een balie waar we onze tickets konden omzetten. Het was onbemand. Als halfdoden sleepten we ons naar de Burger King waar we zonder te spreken een whopper aten. Ik proefde, rook, voelde, hoorde en zag niets meer. Ik was leeg.
Even later was de balie wel bemand. Na mijn ervaring met de grondsteward had ik geleerd dat nederig zijn niet loont in dit land. Ik besloot agressief uit te vallen naar de dame van de balie bij de eerste de beste opmerking van haar kant die me niet zinde. Dat was vrij snel. Ik schreeuwde dat haar toon me niet aanstond en dat ik als een klant behandeld wilde worden. Ik was onredelijk, ik wist het, maar het kon me niets schelen. Ik schreeuwde alsof het varken met de enorme kop voor me stond en ik eindelijk genoegdoening kon halen, Zij schreeuwde terug.
Ik had genoeg van dit kloteland en zijn rotbevolking.
Toen we beiden waren afgekoeld en het ineens mogelijk was om in plaats van over zeven dagen al vier dagen later een nieuwe vlucht te nemen, zei ze ineens vriendelijk: “Wat ik niet begrijp is waarom jullie niet alsnog aan boord zijn gegaan toen het vliegtuig terug was gekeerd met een technisch mankement. Er is meerdere malen omgeroepen dat jullie alsnog mee konden.”
Delgadina en ik keken elkaar vol ongeloof aan. We wisten niets uit te brengen. Ik duwde mijn voorhoofd tegen mijn arm die op de balie rustte en blies vermoeid lucht uit.
Na onze ticket te hebben omgezet, boekten we een viersterren hotel aan Broadway vlakbij Times Square. Als we dan toch langer moesten blijven, konden we het ons beter naar de zin maken.
De zon scheen uitbundig als op een vroege lentedag die alles in bloei zet, toen we vier dagen later weer op JFK waren. Er was geen rij op de parkeerplaats of bij de incheckbalie. Schoonmakers dweilden kalm de vloer van de lege hal. Het was surreëel, de luchthaven was volledig uitgestorven.
De grondsteward was nergens te bekennen, tot mijn teleurstelling. Wat had ik graag, na een vlammende discussie, door hem uitgezwaaid willen worden.